Michiel Cohen de Lara (* 1943) werd in Amsterdam geboren als zoon van rabbijn Meijer Cohen de Lara en Clara Cohen de Lara-Mendelson. Zijn moeder werkte als lerares aan een Joodse basisschool. Toen Michiel ter wereld kwam, was de vervolging van de Joden in Nederland in volle gang. Veel mensen waren al gearresteerd en via Westerbork naar vernietigingskampen gedeporteerd. Het net sloot zich steeds verder rond de overgebleven Joodse bevolking van Amsterdam. Twee weken na zijn geboorte droegen zijn ouders de pasgeboren Michiel daarom over aan twee vrouwen uit het verzet; uiteindelijk kwam hij terecht op een onderduikadres bij de familie Donk. Kort daarna werden zijn vader en moeder gearresteerd. Clara Cohen de Lara-Mendelson werd in Auschwitz vermoord, Meijer Cohen de Lara werd vermoord op het station van de stad Ústí nad Orlicí. Na de oorlog werd bij gerechtelijke beschikking bepaald dat het kind niet aan de overlevende familieleden zou worden overgedragen, maar bij de pleegouders zou blijven – onder de voorwaarde dat hij contact zou onderhouden met zijn familie en Joods onderwijs zou volgen. Het opgroeien tussen twee werelden was verwarrend voor Michiel; lange tijd worstelde hij met zijn identiteit. Voor de herdenkingsplaats Kamp Westerbork spreekt hij regelmatig als ooggetuige voor scholieren.