Chaïm Alster (* 1936) wordt in Berlijn geboren. Zijn ouders waren eerder met hun families uit Polen en Oekraïne gevlucht, omdat Joden daar werden vervolgd. Maar ook in het nationaalsocialistische Berlijn zijn de Alsters niet veilig, en daarom vluchten zij naar Amsterdam. Chaïm is zes jaar oud wanneer de oorlog in Nederland uitbreekt. De antisemitische maatregelen gelden ook voor de jonge jongen, en vanaf 1942 moet hij de Jodenster dragen. Opnieuw slaat de familie op de vlucht: met drie kleine kinderen trekken zij rond, door België en Frankrijk – altijd in angst om gearresteerd te worden. Na vier maanden bereiken zij het neutrale Zwitserland en overleven daar de tijd van het nationaalsocialisme. In 1946 keren de Alsters terug naar Amsterdam; Chaïm is inmiddels tien jaar oud. Maar er is geen reden tot vreugde: alle andere familieleden – grootouders, ooms en tantes, neven en nichten – zijn in concentratiekampen vermoord. Als tiener voelt Chaïm zich eenzaam en ongelukkig, omdat veel Nederlanders vijandig reageren op teruggekeerde Joden. Later bouwt hij een succesvolle carrière op als zakenman. Als ooggetuige spreekt Chaïm Alster regelmatig voor schoolklassen en vertelt hij vooral over de gevolgen die uitsluiting en discriminatie voor mensen hebben.