Emmy Drop-Menko (* 1938) is twee jaar oud wanneer de Duitse Wehrmacht Nederland binnenvalt. In 1942 duikt haar Joodse familie onder om aan arrestatie te ontkomen. Om veiligheidsredenen wordt Emmy van haar familie gescheiden. Aanvankelijk worden er voor haar onderduikadressen gevonden in Ter Wolde en Deventer. Uiteindelijk wordt Emmy ondergebracht bij een pleeggezin in Arnhem, waar zij beschermd kan opgroeien. Maar vanaf september 1944 heerst daar chaos: de stad wordt geëvacueerd vanwege de Slag om Arnhem en Emmy wordt van haar pleegouders gescheiden. Pas na de oorlog ziet zij hen terug. Na de bevrijding hoort Emmy dat haar ouders, haar broer en haar zus al in 1943 door de Duitsers verraden en gearresteerd waren. Via kamp Westerbork werden zij gedeporteerd naar het vernietigingskamp Sobibor in Polen, waar zij direct na aankomst op 23 juli 1943 in de gaskamer werden vermoord. Zo begint voor Emmy na de oorlog een verdrietige en moeilijke periode. Een zus van haar vader neemt haar weliswaar in huis, maar is zelf te getraumatiseerd om goed voor het kind te kunnen zorgen. Daarom wordt Emmy gedwongen te verhuizen naar een broer van haar vader. Op achttienjarige leeftijd zorgt Emmy er via de rechtbank voor dat zij terug mag keren naar haar pleegouders. Daar vindt zij rust en ruimte om zichzelf te ontwikkelen. Vanaf dat moment kan Emmy beginnen aan haar eigen leven.