1e jaargang, nr. 14, pagina 6
1e jaargang, nr. 14, pagina 7
1e jaargang, nr. 14, pagina 8

cover / inleiding inhoudsopgave

De glimlach van den Rijksmaarschalk

Hij ziet er stralend en bloozend uit
De Rijksmaarschalk Herman Göring,
Hij heeft niets te lijden, de oude schavuit
En toont dus ook geen verkleuring

Hij is goed gevoed en hij is goedgekeurd
In schitterende uniformen,
Hij weet niets van hongeren hij weet niets van leed,
Die Duitschlands bevolking bestormen!

En hij is de vader van al het gebrek
Hij zorgde voor rijkelijk kanonnen,
Men zit zonder boter en zit zonder spek,
De aanvang van ’t eind is begonnen.

Voor bommen zal ik zoo heeft hij beloofd,
Het Ruhrgebied veilig beschermen,
Zij hebben deze belofte geloofd
En zij zitten heden te kermen.

En toch toont heden een blijde lach
De schepper van al die ellende,
De deutsche bevolking betaalt het gelag,
Misleid door de Nazibende.

De Rijksmaarschalk Göring, hij glimlacht zoo blij,
Wil zoo Duitschlands volk overtuigen,
De eindzege is thans voor Duitschland nabij,
Al valt ook heel Duitschland in duigen.

Waarschijnlijk denkt Hitler, wanneer Göering lacht,
Dan zal elke twijfel verstommen
Maar gering blijft Görings overtuigingskracht
In vergelijking bij Engelsche bommen.

Dat Duitschland nog lachte, voorbij is de tijd,
Het volk kronkelt thans zich in pijnen
En denkt: Hiernaartoe heeft ons Göring geleid,
Wanneer zal zijn glimlach verdwijnen?

Transcriptie: Thilo von Debschitz