1e jaargang, nr. 3, pagina 15
1e jaargang, nr. 3, pagina 16
1e jaargang, nr. 3, pagina 17

cover / inleiding inhoudsopgave

Een fruit-sprookje

In bijbel en in sprookjesboek
Speelt fruit een grote rol,
Als ik ‘t verleden onderzoek,
Dan was het vaak geen lol.

Om chronologisch voortegaan
In dit stuk van gezang,
Daar had je eerst het appeltje
Van Eva en de slang.

Aan dit beroemde appeltje
Had adam geen plezier,
Hij raakte kwijt het paradijs
En dat was geen vertier.

Dan was er nog eens een geval,
Toen gooide Eris kwaad
Een gouden appel in de zaal,
Waarop geschreven staat:

“Dit aan de schoonste ten geschenk.”
En gauw ontstond een strijd,
Elke godin eischte hem op
Voor zich in ijdelheid.

En als ‘t gevolg van ‘t appeltje
Heeft toen een krijg gewoed,
Tien jaren lag voor Troja men,
Het kostte zeer veel bloed

Men las ook van vergiftigd fruit,
Waarvan sneeuwwitje at,
Ja, in den goeden, ouden tijd
Gebeurde ook heel wat.

Voorbij de goede oude tijd,
Wat gingen wij vooruit
Welk zegetocht van de techniek,
Wij zitten zonder fruit.

Als heden men een kwestie heeft,
Zal het vaak moeilijk gaan,
Men schilde graag een appeltje,
Waar haalt men hem vandaan

Freudlos en fruitloos is de tijd
Op duitsch en Nederlandsch,
De Mof haalt fruit en vreugde weg
En men zit zonder thans.

Daar doet het als een sprookje aan
Men hoort schellengeluid
Men ziet een schattig wagentje
En vraagt, wat het beduidt.

Trekpaard een wonderpony is,
Het stopt voor onze deur,
Wij worden bang, wat zal het zijn,
Misschien een rechercheur?

Toch neen, men voelt zich gauw verlicht,
Het valt reusachtig mee.
Het is vandaag een toovenaar
Saam met een goede fee.

De toovenaar blijft op den bok,
De goede fee stapt uit
En brengt, sprookje van dezen tijd
Aan ons een kistje fruit.

En menig appel, menig peer
Maakt zij ons ten present
Aan zulk aroma, zulke smaak
Was men niet meer gewend.

Het lijkt een sprookje en niet waar
En toch was ’t werkelijkheid
Ons dank aan fee en toovenaar,
Wij waren echt verblijd!

Transcriptie: Thilo von Debschitz