Hans Dresden (* 1940) groeit op in Amsterdam in een geassimileerd, intellectueel joods gezin. Een jaar later wordt haar zus Judith geboren. Tijdens de oorlogsjaren moet het gezin meerdere keren verhuizen en komt uiteindelijk terecht in de Joodse wijk van Amsterdam. In het voorjaar van 1943 besluiten de ouders hun kinderen onder te laten duiken. De moeder brengt de twee dochters naar het station in Rotterdam, waar zij worden overgedragen aan een man uit het verzet. Eerst komen zij in Haarlem terecht. Hans kan daar niet blijven en wordt ondergebracht bij de familie Veenendaal in Aerdenhout. In dit protestantse gezin met drie kinderen wordt zij liefdevol opgenomen en blijft zij tot het einde van de oorlog. De ouders van Hans worden tijdens een razzia gearresteerd en geïnterneerd in kamp Westerbork. Daar maken zij op 12 april 1945 de bevrijding mee. In mei 1945 worden Hans en Judith weer met hun ouders herenigd. Later werkte Hans als maatschappelijk werkster en hield zij zich gedurende meer dan twintig jaar ook beroepsmatig bezig met oorlogsslachtoffers in haar functie bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.