1e jaargang, nr. 8, pagina 3
1e jaargang, nr. 8, pagina 4

cover / inleiding inhoudsopgave

Afrekening

Zoo af en toe verneemt men met plezier,
Dat die of gene drager van de nieuwe orde
Op een of andere manier het loodje legt
En men ontmoet haast niemand, die daar over morde.

Integendeel, de Nederlander vindt het recht
En het gebeurde spijt hem ook geen zier
Toen uit den trein jongstleden viel Herr Schmidt
Of niet zoolang daarvoor verongelukt stafchef Lutje

Of Heydrich min of meer natuurlijk overleed
Toen zei men zeer voldaan,
Een hoogere macht beboet ze,
Men wenscht het noodlot

Nam den Führer maar eens beet
Bij zijn eerstbeste trein- of autorit.
En ook ten onzent bij de N.S.B.
Vermeerderen reuze deze ongeluks-geluksgevallen,

Posthuma, Reydon, Seyffardt, waren een begin
De kleinere verraders sneuvelen bij tientallen.
En iedere goede burger vindt het naar zijn zin.
En vergenoegd zegt hij ertoe Houzee!

Het is geen laag en leelijk wraakgevoel
Dat heden zelfs de vroomste menschen gaat bezielen,
Het is een zuiver hunkern naar gerechtigheid,
Zoo was er vreugde altijd, als de slechten vielen,

Gespannen, ongeduldig wacht men op den tijd,
Dat man de hand slaat aan de heele boel.
Want voorspel is het slechts, wat thans gebeurt,
Van het toekomstige, reusachtige berechten

Voor lage misdaad, roof en moord en landverraad,
Een voorafrekening is ’t voor een paar moffenknechten,
De eindafrekening voor den rest te wachten staat
En dan, verraders, wordt niet lang gezeurd.

Transcriptie: Thilo von Debschitz