1e jaargang, nr. 9, pagina 4
1e jaargang, nr. 9, pagina 5
1e jaargang, nr. 9, pagina 6
1e jaargang, nr. 9, pagina 7

cover / inleiding inhoudsopgave

Een geest verschijnt

Het gaat de laatste tijd niet goed,
De schrik zit in zijn beenen.
En gisteren is hem in zijn droom
Vriend Chamberlain verschenen.

En hij zag uit zeer militant,
Dapperder dan in leven,
Beduidend grooter scheen hij ook,
Zijn stemming scheen verheven.

Zijn geest, die droeg geen parapluie,
Dat was het grootste wonder,
Want toen hij nog in leven was
Liep Neville nooit zonder.

Adolf voelt in den laatsten tijd
Gekraakt zich en gebroken,
De geest van Neville Chamberlain
Heeft dit tot hem gesproken:

Adolf je vind thans zelden slaap,
Blijkbaar knaagt je geweten,
Bij overwinning, zegepraal
Was je dat glad vergeten.

Toch momenteel is alles mis
Je word dagelijks verslagen
En thans gaat de gewetensweren
Je onbarmhartig plagen.

En buitendien ben je zeer bang
Voor mogelijke gevolgen,
Je weet het wel, het duitsche volk
Zo zwaar op je verbolgen

Een altijd wederkeerend feit
Bij alle dictatoren,
Worden hun klappen toegebracht,
Dan zijn zij jouw verloren.

Ik denk nog steeds aan Godesberg
Waar in ’t Hotel van Dreesen,
Vijf jaar geleden jij me hebt
Geducht de les gelezen.

En ik kon niets terug je doen
Dus heb ik maar gezwegen,
En jij hebt het Sudetenland
Strijdloos cadeau gekregen

In München werd het zaakje dan
Definitief geregeld
Je vriend, jij ik en Daladier
Wij hebben het bezegeld.

De wereld herademende verlicht
Verhoort had men haar bede,
Een nieuwe oorlog bleef bespaard,
Gered had men den Vrede.

Wij waren allen vier het eens,
Alles was afgesproken,
Zes maanden later heb je dan
De afspraak sneu verbroken.

Jij vond het een verstandige zet
Brutaal Praag te bezetten.
De „Lebensraum“ werd levenswet,
Jij maakte korte metten.

Ja Adolf, van af dit moment,
Is al je val begonnen,
De levensruimte politiek
Was rijkelijk onbezonnen

De heele wereld heeft toen gezien
Op jou viel niet te bouwen,
Als Adolf nog zooveel belooft,
Mag men hem niet vertrouwen.

Toen kwam je grootsche zegetocht
Door Polen, later Frankrijk,
Toch als men alles thans beziet
Het was zeer onbelangrijk

Het is voorbij, je spel is uit
Je kracht is aan ’t verslappen
Je eigen propagandadienst
Moet dat vandaag verklappen.

Adolf, vandaag verschijn ik hier
Voor jou als onheilsbode
Jou hersenschim, het derde Rijk,
Het is gedoemd ten doode.

De nimbus, die je zoo omgaf,
Hij is verbleekt, gebroken,
En spoedig kom je in mijn Rijk,
In ’t rijk van oude spooken.

Transcriptie: Thilo von Debschitz