2e jaargang, nr. 39, pagina 4
2e jaargang, nr. 39, pagina 5

cover / inleiding inhoudsopgave

De nieuwe Duitsche uitvindingen

Technische voorsprong op den vijand.
Wij hebben dus den voorsprong, dien de vijand tot dusver op den een of anderen sector van de oorlogstechniek in handen had, niet slechts ingehaald maar voorbijgestreefd. De resultaten van deze ontwikkeling zijn nog voor het kleinste deel in het stadium der proefnemingen, voor het grootste deel echter in het stadium der productie. Ik zou mij schamen zoo’n taal te spreken wanneer de feiten mij daartoe niet het recht gaven. Ik heb kortgeleden moderne Duitsche wapens gezien, bij welker aanblik mij het hart niet krachtiger sloeg, maar een oogenblik bleef staan. Wij hebben allen op zichzelf niet de bewijskracht der techniek noodig, om ons te overtuigen van de stelligheid van de komende overwinning. Wij gelooven in haar, omdat wij in het Duitsche volk gelooven. Maar het stemt ook vreugdevol zoo’n stelligheid der opvattingen en perspectieven bevestigd te zien door de reëele feiten. En dat is op het gebied van onze bewapeningsproductie meer dan eens het geval. Het Duitsche uitvindingsgenie heeft zijn krachtproef doorstaan. Wij hebben er lang op moeten wachten, tot het weer het woord vroeg. Nu zal het spoedig zoover zijn. De vijand is niet over den berg, zooals zijn leidende figuren steeds weer beweren, maar hij staat er nog voor. Dat zal de ontwikkeling der eerstvolgende weken en maanden toonen. – 27-7-44

Hoort men thans Doktor Göbbels spreken,
Dan moet men haast gelooven,
Duitschland kwam in de laatste weken
Elk moeilijkheid teboven.

Volgens zijn propaganda klanken
Is menig vreeslijk wapen
Aan duitsche uitvinders te danken
En wordt en masse geschapen

De Britten en Amerikanen
Wat zij ook nu verzinnen
Zien gauw hun technisch voorsprong tanen
En kunnen het niet winnen

Men weet V1 is heusch geen hapje
Maar niet te vergelijken
Met hetgeen komt ’t is vreeslijk, snap je,
Brengt overvloed aan lijken

En ongeluk om niet te dragen
Aan onze tegenstanders
Een overmaat van duizend plagen
Zoals men nergens anders

En nooit te nimmer kon aanschouwen,
Straks zal men ’t zien verschijnen,
Heel Duitschland kan erop vertrouwen,
Aan de uitvindersbreinen

Zijn reuze wonderen ontsproten
En van de demonstratie
Heeft Göbbels – zegt hij – zeer genoten,
Een troost voor elke Nazi

Ja, iedereen zal gauw ontdekken,
Door menig wonderwapen
Zal elke vijand heel gauw vertrekken,
Maar hoe is het beschapen?

Daar van laat Göbbels niets verluiden,
Daarover wordt gezwegen
Hoe moet men zulk een zwijgen duiden?
Ik ben ertoe genegen,

Zijn woorden niet te overschatten
Ik ken z’n leugen zonden
Die nimmer waarheid nog bevatten,
Maar steeds zijn … uitgevonden

Transcriptie: Thilo von Debschitz