2e jaargang, nr. 44, pagina 5
2e jaargang, nr. 44, pagina 6
2e jaargang, nr. 44, pagina 7
2e jaargang, nr. 44, pagina 8
2e jaargang, nr. 44, pagina 9
2e jaargang, nr. 44, pagina 10

cover / inleiding inhoudsopgave

Stafchef nummer drie: Heinrich Schepmann

(Bij de omslagfoto)

De eerste stafchef was Röhm,
Hij was een homoseksuele jongen.
En Hitler zei: vertrouw, kijk, wie!
De stafchef die ik heb,

Houdt behalve van mij nog steeds van Heyn
En andere bruine broeders naast mij,
Hij was altijd al een groote schoft,
Maar dit stond me tegen.

En Röhm stierf dus door Adolfs hand,
Kort, pijnlijk en zeer plotseling.
En Goebbels, die ernaast stond,
Vond het vreselijk.

Wie maak ik nu tot chef van de staf
Van het bruine bataljonnetje?!
De Führer zei het, er was
Een kleine discussie.

Hermann Göring zei dat
Die Lutze niet veel goeds was.
Hij zei: Lutze? Wat?!
Hij heeft maar één oog.

Twee ogen zien meer dan één,
Nee, één heeft niet veel nut.
De Führer zei: het is meer dan geen!
En koos voor Lutze.

Lutze was een goede keus,
En kon niets verpesten.
Negen jaar was hij daarom de chef.
Maar daarna moest hij sterven.

Ik weet het niet: Was het Gods wil,
Was het de wil van de Führer,
Was Heinrich Himmler boos op hem?
Ooit zal het onthuld worden.

Hoe dan ook, Lutze was dood,
Dat was niet te ontkennen.
En Adolf Hitler zei in nood:
Wie moet ik deze keer kiezen?

Kies ik Lohse, kies ik Koch,
Ga ik voor Ritter von Epp?
Wie anders is er? Wie is er nog?
En uiteindelijk koos hij … Schepmann.

Ja, Heinrich Scheppmann had geluk,
Speelt nu de eerste viool.
Hij heeft een betoverende blik
En lijkt op een pad.

Hij is nu een nazi-excellentie,
Zit op de eerste rij,
En rijdt nu in een Mercedes Benz,
Ja, de trouw aan Hitler,

Heeft zich tot nu toe goed uitbetaald,
Schepmann heeft niets te klagen,
Waar het hem echter nog heen leidt,
Dat is nog niet te zeggen.

Als ik terug ga in de tijd,
Dan zeg ik, kinderen, kinderen,
Lieve god, mijn tijd,
Toen schitterde Schepmann minder.

Ik ben zeker niet zo bekrompen,
Om mensen die iets kunnen,
Die efficiënt zijn en getalenteerd
Hun promotie niet te gunnen.

Maar het hart moet op de juiste plaats zitten,
Dat is de eerste voorwaarde.
Als ik naar die vuile nazibonzen kijk,
Raakt mijn humeur in beroering.

De mest doet alsof het aristocratie is,
En komt in Duitsland bovendrijven,
Menig stuk vee wordt een hoge piet,
Ook Schepmann troont hoog boven.

Wat is een jaar? Wat is dertien jaar?
Jouw jaartjes vlogen voorbij,
Zoals het er nu uitziet, en Schepmann was
In Hattingen bij Bochum.

Vlak voordat Adolf aan de macht kwam,
Een kleine basisschoolleraar,
Zonder pracht en praal,
Maar hij was al een zware

En zeer toegewijde Hitlerman,
En dat werpt vruchten af,
Men vroeg niet wat Schepmann kon,
Het feit was genoeg.

De Hattinger-tijd ging voorbij,
Schepmann vertrok plotseling en
Werd politiepresident
Van de industriestad Dortmund.

En als je me vraagt, is het hem gelukt,
De nogal abrupte verandering?
Hij voerde daar een moordregime uit,
Vol angst en mishandeling.

En dat beviel de Führer erg goed,
En daarom ging Schepmann verder
En klom hoger en steeds hoger
Op Adolfs ladder.

De kleine leraar van de Ruhr,
Is nu van een andere klasse,
Is nu van de eerste kwaliteit,
Van het Duitse leidersras.

De Führer sprak en het gebeurde,
Uit het nazischuim opgestegen,
Werd Schepmann stafchef van de SA,
Dat zal voor nu voldoende zijn.

Misschien denkt Schepmann wel eens aan Röhm,
En soms ook aan Lutzen.
En dan voelt hij zich niet prettig,
Het drukt als de Abruzzen

En nachtmerries op zijn borst
En kwelt zijn hart en nieren.
En neemt bijna al zijn plezier weg.
Om als stafchef te dienen.

Dan weet hij: eenieder die het ambt
Van stafchef heeft bekleed,
Is vervloekt en verdoemd,
Wie stafchef is, sterft

Een plotselinge dood, die abnormaal is,
En pijnlijk om te noemen,
Ja, zo‘n gedachte is fataal,
Dat wil ik wel bekennen.

Ik geef de nazi‘s nooit gelijk,
Dat is mijn zwakke punt.
Maar deze keer zou ik het slecht vinden,
Als ik hem tegensprak …

Post-editing: Marinus Pütz