2e jaargang, nr. 59, pagina 12
2e jaargang, nr. 59, pagina 13
2e jaargang, nr. 59, pagina 14

cover / inleiding inhoudsopgave

“Ik wou dat ik een Fakir was.”

Ik wou, dat ik een fakir was,
Dan was ik zeker in m’n sas
In dezen oorlogstijd
Hoezeer me de Gestapo zocht,
Zij vond me niet, zij was bekocht,
Door tooverij misleid.

Ik deed, indien ik fakir was
Hocus pocus pilatus pas
En werd gewoon tot lucht
Etherisch ben ik opgelosd,
Wat mij slechts weinig moeite kost
En de Gestapo zucht.

Als Fakir ben ik dan voor haar
Volkomen weg en onzichtbaar
Hoe zeer zij naar me zoekt,
Ik stuur haar met een kluit in ’t riet
Zij vindt me niet, zij vindt me niet,
Want ik ben opgedoekt.

Zij zoekt en snuffelt overal
En vindt me niet en dat is knal,
Glimlachend kijk ik toe
De Gestapo zoekt daar, zoekt hier
En vindt me niet, ik ben Fakir,
Zij zoekt zich lam en moe.

Zij kijkt zorgvuldig in het rond,
Ik weet precies, als zij me vond,
Dan kwam ik onder ’t mes,
Het is voor mij wel een genot,
Want de Gestapo zoekt zich rot
En heeft toch geen succes

Tenslotte heb ik dan genoeg
Van al dat zoeken en gezwoeg
Dan kwam een nieuwe truc,
‘K zei tot een vriend: Hoor beste knaap,
Ik houd mijn oorlogswinterslaap
En neem de moffen tuk.

Hermetisch gaan m’n oogen dicht
Stijf worden lichaam en gewicht
Hij legt me in een kist
En graaft dan in den tuin een gat
En ik houd daar, het is me wat!,
Mijn oorlogs-winterrust

En is de oorlog dan voorbij
En is dan Nederland weer vrij
Dan kwam ik voor den dag.

Helaas, een Fakir ben ik niet,
Dat ik ’t niet ben, doet me verdriet
En is een hard gelag.

Transcriptie: Thilo von Debschitz