2e jaargang, nr. 27, pagina 16
2e jaargang, nr. 27, pagina 17

cover / inleiding inhoudsopgave

Antoon staat pal (Schlager)

Mussert soldaat van de Duitsche Weermacht
Bij een invasie in Nederland
In de openbare vergadering van de N.S.B. welke Zaterdagavond in het Concertgebouw te Amsterdam is gehouden, heeft de Leider onder groot enthousiasme van de stampvolle zaal zijn houding bepaald ingeval van een eventueele invasie van de geallieerde legers in Nederland. „Er zijn er“, zoo zeide Mussert, „die zich zullen afvragen: en waar zult gij. Leider, zijn, wanneer de invasie hier in ons land komt? Staat uw auto al klaar? Ik kan hun zeggen: mijn kameraden, ik heb mijn besluit genomen. Als de invasie komt zal ik onder alle omstandigheden in Utrecht zijn. Vanochtend heb ik een nieuwe uniform gekregen, dat van vrijwillig soldaat bij de Deutsche weermacht. Dit uniform zal ik aantrekken, zoodra de invasie hier komt.“ – 12-6-44

1) Ik zal ‘m beslist niet smeren,
Verklaarde Mussert prompt,
Ik zal me scherp verweren,
Als een invasie komt.

De Tommy mag het voelen,
Breekt eerdaags los de storm.
Ik kreeg reeds aangemeten
Een Duitsche uniform.

Refrein:
Gaan Yankees dus en Tommies
In Nederland aan wal,
Dan weet ik dat dat stom is
Want Antoon staat hier pal.

2) Gelooft niet in geruchten
Dat ik het land verlaat,
‘K ga beslist niet vluchten
Want ik werd Duitsch soldaat.

Wanneer de Tommies komen
Is reeds bepaald mijn lijn:
Ik heb ’t besluit genomen:
Ik zal in Utrecht zijn.

Refrein:

3) Er zeiden tegenstanders:
Mijn auto stond al klaar.
Neen vrienden, ’t is heel anders
Het is volstrekt niet waar.

Ik blijf, komen de Britten,
Hier op de Maliebaan
Doodkalm en rustig zitten
Met mijn Duitsch[e] pakkie aan.

Refrein:

4) Is deze nieuwe tijding
Voor Engeland een strop,
De Duitsche legerleiding
Die rekent vast erop.

Men blaast reeds van de toren
Met Antoon als soldaat
Is Duitschland niet verloren
Heel Duitschland zingt kordaat.

Refrein:
Wij hebben thans iets beters
Dan de Atlantikwall,
Want Antoon Mussert zelve,
Die staat in Neêrland pal.

Transcriptie: Thilo von Debschitz